WDJARCHITECTEN heeft al meer dan 25 jaar ervaring op het gebied van herbestemming en transformatie van bestaande gebouwen, gebouwcomplexen en herontwikkelingslocaties. In al die jaren zijn er veel positieve recensies verschenen en zijn er diverse prijzen gewonnen, het bewijs van vakkundigheid en expertise. De BNA Academie, die in samenwerking met Nationaal Renovatie Platform in september de training Renovatie en transformatie verzorgt, doet dan ook graag kennis op bij Wessel de Jonge.
Door Oene Dijk
Wat is uw achtergrond?
Ik ben opgeleid in Delft en afgestudeerd in 1985, midden in de economische crisis met voor architecten meer ontslagen dan kansen. Binnen de faculteit Bouwkunde richtte ik me als onderzoeker op de erfenis van de vooroorlogse moderne beweging, met name het werk van Jan Duiker: wat moesten we daarmee? Welk erfgoed bewaar je wetende dat 85% van de nog bestaande gebouwen van na 1900 is en 80% van na de Tweede Wereldoorlog. Welke culturele en economische argumenten en ook sociale componenten spelen een rol? Veel gebouwen hebben een diepere betekenis en belang, ook voor de gebruikers. Neem het sanatorium Zonnestraal van 1928, dat was een symbool van de sociaal democratie, van de VARA en meer. Ik rolde zo dieper in de thematiek. Werkte een aantal jaren bij Henket architecten. En begon me steeds meer af te vragen: waarom is het ontwerpen aan bestaande gebouwen niet ook architectuur? In Nederland was het toen niet sexy of cool, terwijl in Zuid-Europa het wel hoog stond aangeschreven. Architecten als Rafael Moneo, Souto de Moura en Carlo Scarpa hielden zich ook met bestaande bouw bezig en werden gezien als helden. Wat is er in Nederland aan de hand dat wij dat niet zo kunnen?
Op dat ei ben ik gaan zitten broeden.
En toen kwam de Van Nelle?
Ja, de deur ging vervolgens echt open toen ik de nieuwe eigenaar van de Van Nellefabriek ontmoette. Ik ben in 1999 gestart met mijn eigen bureau. We maakten al snel naam met iconische gebrouwen van het modernisme zoals de Van Nelle, Zonnestraal, maar ook met gebouwen als St. Jobsveem, een samenwerking met Mei architecten en stedenbouwers, en de voormalige gevangenis ‘Tuin van Noord’, beide in Rotterdam. Onze porfolio is inmiddels breed, van woonhuizen tot hele wijken, van musea tot scholen en een Olympisch stadion. Sinds 2015 zijn we met het bureau een partnerschap gestart, waarbij mijn eerste medewerker Sander Nelissen nu de leidinggevende is.
Op jullie website trof ik – onder Visie – een treffende zin aan: “En we luisteren naar het gebouw.” Hoe ziet dat eruit?
We zien een gebouw niet als een stapel stenen die zich moet voegen naar onze wensen. We stellen vragen met een op onderzoek gebaseerde ontwerpmethodiek. Vragen als: wat staat er, wat betekent het en waar staat het voor? Je gaat terug naar de oorspronkelijke bedoeling, ook naar die van de ontwerper. Je begrijpt het concept en het verhaal, het materiaal maar ook de immateriële kwaliteit. Zoals bij Zonnestraal de geschiedenis van de diamantwerkersvakbond, de Joodse geschiedenis, een ‘lieu de memoire’, een plek die als plek betekenis heeft. En met dat vertrekpunt ga je weer vooruit. Je doet dat vooral samen, je zet samenwerkingsverbanden op met specialisten. We zien ons zelf als een netwerkbedrijf. We werken niet alleen samen met andere ontwerpbureaus, zoals bij het Burgerweeshuis met Atelier Quadrat als landschapsarchitect, maar ook met gespecialiseerde bouwfysici. Zo wordt nog meer duidelijk wat het gebouw aanbiedt, ook technisch, zoals een gebouw dat in 1959 al met WKO ontworpen was waarmee we verder konden. Dit kan weer voordelen opleveren op het gebied van milieu en budget. Je krijgt overigens een enorme waardering voor architecten als Duiker, met bijvoorbeeld zijn betonkernactivering met verwarmingsbuizen in de vloeren van de Openluchtschool van 1930, maar ook voor Willem Nicolaas Rose, architect van Ministerie van Koloniën in Den Haag, waar we momenteel aan werken. Vaak technisch zo slim en goed luisterend naar de opdrachtgever dat ze voor een miniem aan budget iets klaarspeelden, waar je alleen maar het grootste respect voor kunt opbrengen.
Op de lijst van projecten prijken iconische gebouwen als Zonnestraal, de Van Nellefabriek, Burgerweeshuis, etc. Hoe imponerend is het om met deze gebouwen aan de slag te gaan?
Misschien ben ik er aanvankelijk enigszins naïef ingestapt, gewoon doen. Maar het is ook wel lastig geweest. Bij Zonnestraal hadden we samen met Henket veel vooronderzoek gedaan. Dat deden we toen nog zelf op basis van een methodologie die we daarvoor hadden ontwikkeld. Pas later gingen we als architecten aan de slag met dus heel veel kennis, die het herontwerp ook in de weg kon staan.
Je moet zoals ik al eerder stelde eerst terug om dan weer vooruit te gaan. Het teruggaan kan het verdergaan ook weleens lastig maken. Je moet eigenlijk je hersenhelften kunnen scheiden. In de onderzoeksfase noteer ik kwaliteiten, onderken ik bepaalde eigenschappen, waarmee ik me in de ontwerpfase moet zien te verhouden, en soms last van krijg wanneer ik het moet oplossen. Voorbeeld is de uniforme verlichting die we hebben kunnen realiseren bij de Van Nellefabriek, terwijl in een verhuurkantoor individuele huurders normaal zelf verlichting kiezen. Vaak is het balanceren, zoals bij het Burgerweeshuis, waar sommige kwaliteiten van Van Eyck’s ontwerp het toekomstige gebruik, als kantoor, weleens lastig maakten.
Het gaat niet om de absolute prestatie maar om de winst van de verbetering.
Wat zijn de do’s en don’ts op het gebied van herbestemming en transformatie?
Een do: maak gebruik van wat het gebouw jou biedt, zwem niet tegen de stroom in, maak gebruik van wat je kunt gebruiken, en dat geldt ook in installatietechnisch opzicht. Een andere do: probeer de immateriële waarde te snappen. Je moet je tot de verhalen verhouden. Bijvoorbeeld over de geschiedenis van de Rotterdamse haven waarvan de Van Nelle, Pakhuis Santos (nu Fotomuseum) en het HAKA-gebouw getuigen van zijn. Een don’t is dan ook: ga niet meteen tekenen. Een andere don’t: maak van je Kever geen Tesla. Oftewel ga niet zomaar een hedendaags eisenpakket op het project projecteren. Het gaat niet om de absolute prestatie maar om de winst van de verbetering.
De laatste jaren is er door allerlei ontwikkelingen op het gebied van onder andere wetgeving, klimaat en techniek veel veranderd. Hoe anders is de situatie dan zo ’n twintig jaar geleden?
De prominentie die duurzaamheid de afgelopen decennia heeft gekregen is een belangrijk verschil, plus de groeiende aandacht voor de kringloop, voor circulariteit: het weg van de wegwerpcultuur. Ik zie meer samenwerking en steeds minder ego gedoe. Je kan als architect partijen modereren en samenbrengen. En op technisch vlak zijn er mogelijkheden bijgekomen, bijvoorbeeld slimme klimaattechniek en flinterdun dubbelglas dat past in dunne bestaande kozijntjes.
Wat gaat er de komende jaren veranderen op het gebied van herbestemming en transformatie?
De samenwerking zal verder toenemen. Kringlooparchitectuur zal in de gehele bouwsector een plek moeten krijgen. Het zal ook meer gaan over de woonopgave in plaats van woningbouwopgave, zoals het Platform Woonopgave terecht stelt. De woonbehoefte kan je voor een belangrijk deel opvangen met transformaties en verdichting van bestaande gebieden. In de afstudeerrichting architectuur op de TU Delft kiest de laatste jaren al bijna een kwart dan ook voor de richting herbestemming, Heritage & Architecture. Het Nationaal Renovatie Platform NRP probeert voor en met alle spelers in de bouwsector zowel die nieuwe vragen op te pakken, als de oude juist te adresseren. De drie begrippen die onder het thema ‘vernieuwing’ hangen zijn verbinden, verduurzamen en verwaarden, waarde creëren. De NRP Academie biedt ook nascholing met bijvoorbeeld de Opleiding Transformatie en Renovatie.
Waar ligt na al die jaren nog steeds de uitdaging en hoe blijven jullie enthousiast?
Bij ons is vaak het bestaande gebouw de aanleiding. Dat wil zeggen dat het functionele programma meestal enorm varieert; op het ene moment wordt er gewerkt aan het verduurzamen van een villa van Rietveld en op het andere moment aan het upgraden en uitbreiden van het Olympisch Stadion van Helsinki voor popconcerten. Dat houdt het steeds boeiend. En waar vroeger renovatie niet sexy was is dat nu totaal anders. Bijzonder voorbeeld daarvan is onze inzending voor het Jaarboek Architectuur editie 2003/2004. De herbestemming van de Van Nellefabriek en die van Zonnestraal werden aanvankelijk afgewezen omdat het Jaarboek “alleen over architectuur gaat”. Dit illustreert dat men destijds herbestemming in beginsel niet als een architectonische ontwerpopgave zag en men nog geen oog had voor wat een belangrijk aspect van het vak aan het worden was. Die knop is echt wel òm.



